Restauratie

de aanloop

Najaar 1982. Tok, tok, tok. Ik wordt om twee uur ‘s nachts wakker, het regent flink en in de grote serre achter de slaapkamer lekt het. Het leven in Die Clinghe is gebaseerd op emmertjes. Het vervelende is dat het geluid van vallende druppels moeilijk te stoppen is. In principe moet je vanaf het punt waar de druppels door het plafond komen een doek vastmaken die hangt tot in de emmer. Anders begint het geplok weer zodra de doek in de emmer doorweekt is. Maar het plafond is ruim drie meter hoog, en ik heb geen doeken van drie meter, geen mogelijkheid om een doek vast te maken bij het lekpunt, en geen zin om in het holst van de nacht op een trap te klimmen. Ellende op ellende.

De volgende dag ga ik het dak op met een groot blik van een pek-achtige substantie die gebruikt wordt om lekkages te dichten. Maar boven het lekpunt is niets te vinden. Bekend probleem, het water kruipt waar het niet gaan kan. De oorsprong van de lekkage kan heel ergens anders zijn dan het lekpunt. Ik probeer maar wat bij de aanhechting tussen het platte dak van de serre en het schuine dak van de bovenverdieping. Nu maar wachten tot het weer flink regent.

Bij de volgende bui blijft het droog. Hoezee, het probleem is gevonden. Een paar dagen later als het weer eens flink regent lekt het weer. Probleem dus toch niet gevonden. Het hangt vaak ook af van de windrichting.

De gebroeders Groenen hadden Die Clinghe in november 1979 gekocht voor een half miljoen van de vorige, inmiddels failliete eigenaar. Hun doel was duidelijk, hun strategie niet. De onnozelheid van speculanten zal wel altijd een bron van verbazing blijven. De Groenens dachten dat de bewoners wel goedschiks zouden kunnen worden gedeporteerd naar de nieuwe wijk van premiekoopwoningen in Vogelenzang. De vorige eigenaar had hen een document laten zien waaruit bleek dat de bewoners hiermee akkoord gingen. Uiteraard had het bedoelde document geen enkele rechtsgeldigheid, en waren de bewoners geenszins van plan het pand te verlaten. Het was een grote slag voor de nieuwe eigenaars, die des te harder aankwam omdat de besprekingen werden gevoerd op het kantoor van onze advocaat, Mr. Tom Laus. De gebroeders Groenen volgden nu een nieuwe, maar nauwelijks minder onnozele strategie. Zij trachtten de situatie te bevriezen door met de bewoners een contract af te sluiten waarin vastgelegd werd dat onderverhuur niet langer werd toegestaan en dat de bewoners zelf voor het onderhoud moesten zorgen. Het idee was dat het huis zou leegstromen en dat nieuwe bewoners er niet bij mochten komen.Zo zou het pand dan voor de sloop klaar komen te staan. Tegelijkertijd hoopten de eigenaars dat de overheid een vergunning zou geven voor clusterbouw. Het was een sluw plan, maar vooralsnog betekende het dat we in een betrekkelijke luwte waren geraakt.

Er zat toch te weinig schot in de zaak en dus kwamen de eigenaars maar eens langs met een nieuwe adspirant koper. Een afschrikwekkend individu dat werd gepresenteerd als een specialist in ontruimingen. Er werden artikelen uit kranten getoond die aantoonden dat deze persoon voltrekt gewetenloos en meedogenloos was. Maar de heer Groenen zelf was de kwaadste niet, hij zou er de voorkeur aan geven het pand aan de bewoners te verkopen. Vraagprijs negen ton. Het gebruik van onwettige methodes is moeilijk te bestrijden. Zo heeft ooit een eigenaar een bewoner omgekocht met de bedoeling dat die de andere bewoners weg zou pesten: keiharde muziek, overlopende wasbakken, wanbetaling en rechtszaken. Gelukkig bleek bij nader onderzoek dat de gevreesde koper een Potemkin coulisse was, het hele verhaal was verzonnen. Een jaar later bood Groenen het pand weer te koop aan aan de bewoners, nu voor de helft van het eerdere bedrag. We zochten naar mogelijkheden om dit te financieren. Een van de bewoners oppert het idee dat er wel tien families in het pand zouden kunnen wonen. Een ander suggereerde dat iedereen die geen geld had maar op moest rotten. Vrienden bemoeiden zich ermee. De tuin zou een park kunnen worden. Ook nogal onnozel.

De achillespees van een woongemeenschap is intern. De gemeenschappelijke vijand van buiten helpt vaak om de saamhorigheid van binnen te bewaren. Maar bij deze situatie waarbij we zochten naar mogelijkheden om het huis te kopen viel de saamhorigheid ver te zoeken. Het bleek onmogelijk dit op te lossen. Intussen kabbelde de briefwisseling tussen onze advocaat en die van de eigenaar voort. Er werd niet gekocht, er werd niet niet gekocht. Er was geen geld. Er kon niets gebeuren. Volgens de krant was de clinghe al aan ons verkocht, maar in werkelijkheid gebeurde er niets. 

Eind 1982 kwam de raad van staten de clinghe bezichtigen. Volkomen onverwacht, de gemeente had dit geregeld maar ons niets laten weten. De eigenaar trachtte aan te tonen dat het pand sloopwaardig was en dat de bewoners krakers waren. In afwachting van het kroonbesluit zag Groenen kans het pand te verkopen. Met de suggestie dat er snel toestemming zou komen voor sloop werd de zoveelste onnozele eigenaar gestrikt. Het pand was ondergebracht in de BV Bodijk, de nieuwe eigenaar ene Leendert van ’t Hof. We krijgen bericht dat hij komt kijken wat er aan het pand moet gebeuren. Mondeling wordt ons meegedeeld dat hij van plan is een onderhoudsplan op te stellen. Na de eindeloze ellende met eigenaren sedert decennia zijn de meer ervaren bewoners van het pand er niet gerust op. Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven zien eigenaren het pand als een speculatie-object, met als hoofdlijn de huurders (die zij krakers noemen) eruit te werken en er een duur appartementscomplex van te maken. En dan liefst het oude pand slopen want om daarbinnen luxe appartementen te creëren is bijna ondoenlijk. In een nieuw gebouw zouden gemakkelijk acht appartementen à raison van een miljoen gulden te realiseren zijn. Stel je voor, bij de laatste overdracht was het hele pand ƒ500.000, dat zou nog eens een mooie winst zijn! Het gezelschap dat de situatie kwam opnemen was bont. De eigenaar was een oen*, misschien een stroman, vergezeld door enkele onaangename types die hun minachting voor ons niet onder stoelen of banken staken. Het duin loopt naar het zuidwesten af en daardoor vormt de kelderverdieping daar de begane grond. In een kamer aan de tuinzijde woonde een student, een ruimte waarvan de bezoekers zeiden dat die niet eens een hondenhok zou mogen zijn. De nieuwe strategie werd snel duidelijk, het pand moest onbewoonbaar wordt verklaard. Het was in het verleden gebleken dat het onmogelijk was de bewoners tot krakers te bombarderen, er was een officiële huurovereenkomst en we genoten huurbescherming. We lieten het inspectieteam weten dat er geen sprake van was en dat ze zich eventueel maar met onze advocaat in verbinding moesten stellen. Tom Laus was de schrik van Kennemerland, en had ons al uit een aantal benarde situaties gered. Later werd de eigenaar vertegenwoordigd door een makelaar uit het zuiden, die ons vertelde dat de eigenaar wilde streven naar ‘normalisatie’. Er zouden individuele huurcontracten komen en de nieuwe eigenaar zou t.z.t. graag zelf het pand gaan betrekken. De renovatie zou drastisch zijn want er zouden acht appartementen komen met twee liften. Tijdens de werkzaamheden konden de bewoners in caravans worden ondergebracht. En weer kabbelde de briefwisseling tussen onze advocaat en de eigenaar voort.

De zomer van 1983 zag de laatste stuiptrekking van de BV Bodijk. Alle figuranten, makelaar, architect, advocaat vielen weg. Er kwam nog wel iemand van de BV langs, maar het enige wat hij deed was de bewoners voor rotte vis uitschelden. Begin 1984 liet de hypotheekhouder, de Rabobank, weten dat het pand geveild zou worden. De eigenaar voldeed zijn schulden niet meer. Onze huisspeurneus Anke ontdekte dat de fiscale recherche achter de BV aan zat. Ook begreep zij dat de hypotheekhouder geen flauw benul had van de geschiedenis en realiteit van het pand. De bank dacht dat de bewoners krakers waren en dat het op de veiling een flink bedrag kon ophalen. Makelaar Sven kwam ongevraagd bij ons langs en stelde voor dat hij het wel voor ƒ450.000 van de bank kon lospeuteren.  Onderzoek toonde echter aan dat een reële prijs voor het pand ongeveer ƒ250.000 zou zijn. Sven probeerde een veilingaankodiging te forceren waarin de bewoners als onrechtmatig werden betiteld. Er waren diverse vreemde en duistere figuren die rond het pand zwermden omdat zij dachten op de veiling goede zaken te kunnen doen. Onze advocaat vocht het veilingblad succesvol aan zodat het pand weer uit de veiling werd gehaald. Het drong nu tot de bank door dat de bewoners er niet zomaar uit te zetten waren. 

De situatie was precair. We waren dag en nacht bezig met onze eigen besluiteloosheid. Van buiten kwamen er merkwaardige tekens. De Rabobank bood ons een aantrekkelijke lening. Er meldden zich uit de blauwe lucht ‘nieuwe’ bewoners die zelf geld meebrachten. Er waren ook kopers geïnteresseerd in een deel van de tuin. Sommige bewoners knapten af maar waren de volgende dag weer enthousiast. De I Tjing bracht geen uitkomst, die zei dat we zelf tot een besluit moesten komen. Waar waren de spreeuwen van Louise? Verder bleek dat verkoop vóór de veiling afhing van toestemming van de eigenaar en die was vooralsnog onvindbaar. En de bewoners waren eigenlijk geen voorstanders van ‘bezit’. 

Uiteindelijk waren we ons wel bewust dat de huidige toestand niet eeuwig kon voortduren. Het was alles of niets, dood of de gladiolen, victorie of de witte lelies. Voor het pand dan, want wijzelf zouden altijd nog naar nievernansq kunnen vertrekken. Het dilemma was ook dat de oude situatie geleidelijk tot een groot verval had geleid. De elektriciteit was sterk verouderd en moest dringend vervangen worden. Balkons stonden op instorten, gas- en waterleidingen waren onbetrouwbaar. Er waren overal lekkages. Er moest dus heel veel gebeuren, en in de oude situatie kon het alleen maar slechter worden. Maar als we het pand kochten stonden we voor een enorme opgave om het te restaureren. Huiseigenaar-speculanten mogen een pand totaal laten verloederen, maar wij zouden direct worden verplicht een aantal maatregelen te nemen. 

Er was nog een probleem: de gemeente wilde absoluut niet dat het pand in appartementsrechten zou worden gesplitst. Maar notaris De Waard had een plan. We konden een stichting administratiekantoor oprichten die het pand zou kopen en beheren. Die stichting gaf certificaten uit, in totaal 60, zodat ieder appartement 10 certificaten kreeg. Dit plan opende de deur naar een nieuw tijdperk. De bank wilde wel helpen, de prijs was het luttele bedrag van Fl. 250.000, en de nodige hypotheken werden door de Rabo verstrekt. Restte nog het laatste probleem, de eigenaar moest er zijn handtekening onder zetten. Een kolfje naar de hand van de nestor en prima inter pares der bewoners, Anke Blankevoort. Na enkele telefonades ontdekte zij dat de arme man zat te brommen en hij bleek maar wat blij om van dit blok aan zijn been af te zijn.

Op de dag dat het huis opnieuw geveild zou worden kochten we het. Op de veiling klonk boe geroep. Met de verkoop van enkele certificaten die een klein appartement vertegenwoordigden en een deel van de tuin konden we onmiddellijk de ernstigste problemen aanpakken. Was het het waard? Had het niet beter gesloopt kunnen worden? Beslist niet. Ik twijfel er geen seconde aan dat dit pand een belangrijk en schitterend erfgoed is. Niet alleen als architectuur, maar als een geschiedenis. Een monument opgedragen aan het verzet tegen speculatie. Per appartement betaalden we ƒ50.000.  Nu is de WOZ van het gemiddelde appartement een slordige zeven ton. Zo’n 30 keer de koop. Zijn we dan zelf speculanten? Ik ontken dat ten stelligste want het idee is nooit geweest om winst te maken. We wilden hier wonen tot het einde der dagen. We wilden het pand behouden. En die waardestijging is te danken aan ruim 35 jaar bloed, zweet, tranen en investeringen om het pand te restaureren. Heden, 2021, is het pand op orde, het is veilig gesteld voor komende generaties.

de stichting, 1984

En zo kwam het pand op 5 juni 1984 in handen van de Stichting Administratiekantoor Die Clinghe, een stichting waar de bewoners het bestuur van vormden. Er waren in die tijd zes units in het huis, maar één unit deed niet mee in de aankoop zodat de overblijvende units ieder 12 certificaten kregen. De bewoning en indeling van het pand was altijd tamelijk flexibel geweest, sommige appartementen hadden ruimtes beneden en boven. Het was een rommelig organisch geheel. Bij de aankoop was er wat geschoven met ruimtes waardoor een nieuwe unit verkocht kon worden wat een mooie storting in de restauratiepot opbracht. Ook verkochten we de helft van de tuin. Met die opbrengsten konden de eerste essentiële reparaties worden uitgevoerd. Niet lang nadat we in de clinghe kwamen wonen ging Setske weg. Zij had een nieuwe vriend en er ontstonden spanningen met andere bewoners. Haar appartement kreeg een nieuwe bewoner, Mieke, die al gauw vergezeld werd door haar vriendin Bea. De familie Blankevoort bewoonde twee appartementen en Spruit kreeg het nieuwe appartement. Eén appartement werd bewoond door de familie Kater, die geen certificaten bezat maar onderhuurders waren. En tot slot het appartement van Marilene en mij.

Er zijn klanten die niet weg te slaan zijn en andere die het al gauw voor gezien houden. Setske was al weg voor de stichting werd opgericht. De familie Spruit kon het niet eens worden met de andere bewoners over het onderhoudsprogramma. Hun appartement viel terug aan de stichting, er kwamen voorlopig geen nieuwe bewoners. De familie Kater voelde zich als huurders niet op hun gemak en vonden andere woonruimte. Een deel van hun appartement werd verkocht aan een nieuwe bewoner, Barbara. Een vriend van haar zocht een pied a terre en aan hem verkochten we een grote kamer op de bovenverdieping. Het deel boven ons appartement namen wij over. We werkten toe naar een indeling die appartementen zoveel mogelijk aaneengesloten maakten. Bas Blankevoort en zijn partner Charlotte Dematons verlieten het ouderlijk nest en sloegen hun vleugels uit, hun appartement werd gekocht door Rita. De laatste hield het elf jaar uit, zij was toch te gevoelig voor geluidsoverlast en zocht naar een alleenstaande woning die ze in Bergen vond. De clinghe is een oord van rust en stilte, maar de geluidsisolatie is knudde zodat je wel soms een kuchje of krakende trap hoort. De meesten van ons wennen daaraan maar als je in het holst van de nacht diep geconcentreerd zit te werken dan kunnen zulke geluiden je inspiratie ernstig opbreken. Natuurlijk waren er ook andere redenen. Zij verkocht haar certificaten aan Han en Kees in 1998.

Toen het pand in 1950 geschikt werd gemaakt voor bewoning door meerdere gezinnen werd er wel een voorwaarde gesteld: “Burgemeester jonkheer den Tex had wel een “maar” wat betreft bewoning door meerdere gezinnen: “alleen academici en adel zouden in aanmerking mogen komen.” (Oostenbroek 1980: 35). Onder de bewoners van 1950 waren enkele academici, maar geen adel of andere maffiosi. In de loop der jaren verschoof het accent naar het artistieke rayon. Anke was keramiste, Bas zou een vooraanstaand wetenschappelijk tekenaar worden, Charlotte werd een beroemde auteur/tekenaar van kinderboeken, Setske was portretschilder, Rita was schrijfster van kinderboeken en later grote-mensen-boeken, Barbara was decorontwerpster, Mieke werd na haar pensioen beeldhouwer, Han bevrijdde de schilder in hem, Marilene en ik waren academici en daarbij was ik ook nog beoefenaar van de Indiase klassieke zang, dhrupad, khayāl en thumrī 😄.

Het pand was nu gered van de slopershamers van speculanten en projectontwikkelaars, maar er doemden nieuwe problemen op. Ten eerste bleek de vorm van een stichting met certificaten een blok aan het been van bewoners die eens wilden verhuizen. Certificaten verkoop je niet zo makkelijk als appartementen. En hoewel de certificaten gekoppeld waren aan het recht om bepaalde ruimtes te bewonen was dat toch iets heel anders dan een appartementsrecht. Er werd dus langzaamaan gedacht over splitsing in appartementsrechten. Dat stuitte op twee problemen; de gemeente zou geen toestemming geven en de verdeling van ruimtes in het huis was zo versnipperd dat daar geen appartementen van te maken waren. Daarnaast leidde het wegvallen van de druk van buitenaf tot heet afbrokkelen van de interne cohesie. Er ontstonden ruzies over de manier waarop mensen zich gedroegen, over financiële kwesties, over prioriteiten van renovatie en restauratie en vooral over de tuin.

De familie Blankevoort was al in 1959 in de Clinghe komen wonen, dus slechts 9 jaar nadat Friedhoff het tot een wooncomplex voor meerdere gezinnen had omgevormd. Kinderen vliegen uit, en zo ook die van de Blankevoorts. Bij de oprichting van de stichting was een van hen, Bas, certificaathouder geworden en bewoonde een van de woondelen. Toen hij en zijn partner Charlotte verhuisden nam Rita Verschuur de certificaten + woondeel over. Ada Vink bewoonde een ander deel van het huis, deels op de begane grond en deels op de tweede verdieping. Zij was geen certificaathouder en huurde haar ruimtes van de Stichting. Toen zij ging verhuizen werd haar woonruimte beneden verkocht aan Barbara de Vries, terwijl de ruimte op de tweede verdieping door ons werd overgenomen. Een andere ruimte op de tweede verdieping, die bij de oprichting van de stichting bewoond werd door Henk-Willem Spruit kwam in 1987 al weer vrij. Er was onenigheid tussen Henk-Willem en de anderen over het restauratiebeleid. Er was dus geleidelijk iets verbeterd aan de versnippering van woonruimtes. Die versnippering was ontstaan uit een creatieve en organische manier van leven. Iedereen kruiste elkaar in de gemeenschappelijke ruimtes: trappenhuis, gangen en hal. Erg gezellig wanneer je met elkaar op goede voet staat, maar wat minder als er spanningen ontstaan. En het had enorme praktische bezwaren: gas, water, elektra en verwarming waren allemaal centraal. Dat is op zich al een bron van ergernis wanneer je merkt dat er bewoners zijn die roekeloos met energie omgaan. En de centrale verwarming joeg er tonnen gas door terwijl de temperatuur binnenshuis niet boven de 16°C kwam. Bij oostenwind was het aan de oostzijde van het huis niet te genieten, bij westenwind aan de westzijde. Toen Rita in 1997 wegging vond zij kopers voor haar certificaten+ruimte maar een hypotheek kon alleen verstrekt worden indien op voorwaarde dat de Stichting over zou gaan tot een splitsing in appartementsrechten. De periode 1997-2002 was buitengewoon roerig. De druk om tot zo’n splitsing over te gaan was enorm en de meeste bewoners zagen dat dit de enige oplossing was. Als je een pand vanuit leegstand opsplitst en daarna de appartementen verkoopt is er geen vuiltje aan de lucht. Dit is succesvol met veel grachtenpanden in Amsterdam gedaan. Maar de Clinghe was bewoond, en om dan een splitsing te realiseren betekend een complete herstructurering van ruimtes plus een omwenteling van alle nutssystemen. Scheiding van energiebronnen, verwarming, afvoer, isolatie en nieuwe muren. Sommige woondelen waren al redelijk compact, maar andere lagen nog erg verspreid. Bovendien was er onenigheid over de toewijzing van de hal, moest die algemeen blijven of aan een bewoner worden toegewezen? Daarnaast bleek dat onze notaris niet bereid was om een splitsing in appartementsrechten te realiseren. En om de situatie nog verder te verergeren werd het geruzie over de tuin steeds irritanter. Er werden rechtszaken gevoerd en het bestuur was uiteengevallen na de zoveelste heibel over het al dan niet kappen van bomen. Er werd een architectenbureau in geschakeld om tot een splitsingsplan te komen en een groot notariskantoor in Amsterdam dat de botte bijl beter kon hanteren dan onze lokale notaris, die zijn vingers liever niet brandde.

Uiteindelijk zijn al deze problemen terug te voeren op de primitieve territoriumdrang. Ook wel bekend als landjepik. We hebben elkaar niet de hersens ingeslagen, dat is wellicht een pluspunt te noemen. Territorium gaat over uitoefening van macht. Wie kan zich uitroepen tot bezitter van bepaalde ruimtes, waarmee hij of zij kan doen wat hij of zij wil. Wie beslist wat er wel en niet in de tuin gebeurt. Wat wordt er gesnoeid of gekapt? Wat kan er aangeplant worden? De argumenten zijn meestal vrij simpel, de een wil een boom weg om in de zon te zitten, de ander wil juist in de schaduw zitten. Maar er zijn ook dubieuze argumenten over wat wel en niet goed is voor het pand.

de vereniging, 2002

December 2002 is de splitsingsakte verleden en breekt een nieuw tijdperk aan. Rita was al ruim voor die tijd vertrokken, haar fijnbesnaarde geest kon het grove geweld binnen de Clinghe niet langer verdragen. Barbara wilde ook weg, zij had het wel volgehouden en meende dat de verkoop van een appartement gemakkelijker zou zijn dan van certificaten in een stichting. Al in 2003 verkocht zij haar appartement aan Glenn en Dorien, die er tot heden wonen met hun drie kinderen. Het appartement op de tweede verdieping oostzijde werd niet lang daarna gekocht door Bob en Simone, die het recent doorverkochten aan Lutz en Aafje. Han en Kees, die het appartement van Rita bewoonden, verkochten hun appartement in februari 2021 aan Rob en Chantal.

De leefstijl die we hadden voor 1984 en na 2002 was mijlen ver verwijderd, hoewel de helft van de bewoners ongewijzigd bleef. Voor 1984 hadden we:

  1. zeer lage huurkosten, feitelijk was er een huurimpasse omdat eigenaren ons niet als huurders wilden erkennen
  2. zeer hoge energiekosten. voor een pand als dit is een centrale voorziening funest:
    1. omdat individuele bewoners niet kunnen zien en voelen wat zij verbruiken en dus weinig gemotiveerd zijn om zuinig met energie om te gaan
    2. omdat het microklimaat van de oost- en westzijde enorme verschillen vertoont, tot wel 10°C. bovendien werd er veel ongebruikte ruimte verwarmd
  3. aanzienlijke juridische kosten om speculant-eigenaren van het lijf te houden
  4. geen onderhoud door eigenaren omdat zij de huurders eruit wilden jagen
  5. geen onderhoud door bewoners vanwege onzekerheid over voortbestaan van de situatie

Na de splitsing was het plaatje totaal anders:

  1. hoge hypotheeklasten (voor nieuwkomelingen), omdat de appartementen vrij waardevol/kostbaar zijn
  2. veel lagere energiekosten voor de degenen die een beetje zuinig met verwarming en licht omspringen
  3. geen juridische kosten
  4. gezonde VvE die een meerjarig onderhoudsplan hanteert

De periode 1984-2002 was een typische overgangsperiode. In het begin waren verwarming, water en elektra nog algemene voorzieningen die hoge kosten met zich mee brachten. Pas in 1999 toen de splitsing aan de horizon begon te verschijnen werden CV’s en elektra gesplitst. Ook de restauratie ging traag. Veel werd door de bewoners zelf gedaan. Een bevriende aannemer leende ons een steiger, en daar we verschillende schilders in huis hadden konden we het houtwerk kunstig aflakken.

Inmiddels zijn we wel ouder maar niet wijzer en waar de Clinghe in een bepaalde periode bewoond werd door berooide kunstenaars is er nu meer financiële armslag in huis. Het is zeker dat de oude leefstijl van de jaren 50 tot en met 70 zijn charme had, maar het pand zou zeker voor de bijl zijn gegaan als we die lijn hadden voortgezet. Omdat we nu zelf de eigenaren zijn kunnen we ook investeren in restauratie en onderhoud. Er is een onderhoudsplan opgesteld door de Vereniging Eigen Huis, we hebben een buffer volgens de richtlijnen, regulier onderhoud is op orde. Inmiddels zijn een aantal fundamentele zaken aangepakt. De later aangebouwde oostvleugel, die aan het verzakken was, is omhooggekrikt door er een eiland van gel dat zich metste duinzand mengt onder te injecteren. Het dak is geheel vervangen en geïsoleerd. Het prachtige tuinmurencomplex is geheel gerestaureerd. Het beerputtenriool is vervangen door een aansluiting op het gemeentelijke systeem. Inmiddels heeft het pand de status van gemeentelijk monument gekregen, wat de zekerheid voor de toekomst verder verstevigt. Electra en gas zijn niet alleen gesplitst maar ook volledig vernieuwd.

In het verleden was het gaan en komen van bewoners gebaseerd op bevriende contacten en ballotage. In de huidige situatie is de verkoop van een appartement volledig onafhankelijk van de vereniging. Tot nu toe werkt dat toch redelijk en is de angst dat nieuwe bewoners niet zouden passen ongegrond gebleven. Daarbij beseffen kopers wel dat het een woonomgeving is met gebruiksaanwijzing. Sedert enkele jaren zijn de ergste stormen geluwd en wonen we in redelijke harmonie. Dissonanten blijven onvermijdelijk, vooral in de tuin. Gelukkig overstemmen de merels de kraaien.


* Oen is als volgt in het WNT beschreven:
Woordsoort: znw.(m.)
Modern lemma: oen— OENE —, znw. m., mv. -en. Herkomst onbekend. Dom, sullig persoon. 
—Trijn. Mijn Keuningh, mijn Prins, mijn hart, mijn Graef, mijn Joncker, Hoe sel ickje omnarmen mijn soetert, mijn rysenbry, Mijn struyfmont, k’hebje so lief als Suycker-kandy: Nou geef men ien soen mijn murrewert, o je bent sulcken oene, ‘k Sweer dat ickje te nacht sal half doot soene,   v. arp, Cl. Klick B 1 v° [c. 1631].
—Goos. Wel Truytje Teeuwis, ick kom in jou Cosijns klieren, ghelijck het geseyt was, om jou wat te vryen. Truy. Wel oene binje mal, of sinje buyten weste, segh droncke bloet?   krul, Dr. Goosen B 2 r° [1632].
—Sel ickje geven datter (t.w. geld en kleeren) niet is? wat deuse malle oene, Ick gis datjet ergens in ien hoer-huys hebt wesen versoene En dat jy ‘t nou wel garen van onse luyden hadt,   w.d. hooft, A. de Piere D 2 r° [1634].
—P. Hoor: Zou ik haar zomtijdts mogen zoenen, En by haar slapen? O. Welk een Oene! Slaap jy niet by haar als ‘t jou lust?   vincent, Pefroen 23 [1669].
—Ik vind die man een oen en ik zal de hele tijd zitten denken, het liefst trapte ik je door je stoel heen,   Vrij Ned. 24 Dec. 1971, 13 c.
Ook tegenwoordig wordt de uitdrukking ”een oen” in sterk denigrerende zin gebruikt: een sukkel, een zot,   w.j.c. buitendijk bij vos, Toneelw. 241 b[1975].
In Oenes kap hullen, den draak steken met, den gek steken met. 
Nou moet ick Jochem voort in Oenes kap gaen hullen,   zoet, Iochem-Iool B i r° [1637].
Met Oenes kolf kronen, hoorns opzetten, overspel plegen met de vrouw van. 
—Vrou hoe ken je sulcken mensch noch liefde betoonen, ‘k Sou hem seecker met Oenes kolf altemet koning kroonen, En de luy zouwender om lachen, als syt al quamen te weten,   coster 16 [1612].
Afl.Oenig, dom, sullig. Ik zou een aannemer spelen, Bram van Tienen — een verlegen, onhandige, oenige figuur, die opeens hopeloos verliefd wordt op de dochter van de zigeunerkoning,   bambergen en v. vooren, De Mounties 118 [1973].
Samenst.Oenetuit, oen. ‘k Wens den Doctor zoo veel nikkers als ik hairen om mijn hooft,, heb. Dacht ik het niet dat deze socsus oenetuyt Het niet bewimp’len zou, maar bondigh brengen uyt Aan Fokel, dat haar dochter Hillegondtje zwaar,, is?   codde, Bedr. Schaakers 33 [1672].

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.